München – Frankfurt – Hamburg - Dresden – Keulen; juli - augustus 2021

Op de laatste dagen van deze Duitslandreis maak ik een balans op.
Dit is wat ik graag doe: reizen – muziek maken – kunst kijken – geschiedenis - schrijven.  
Muziek, daar ging het vorig verhaal (“verweven”) over. Er komt nog een verhaal over “De maan is opgekomen”, het onsterfelijke lied van Matthias Claudius. Ik ben halverwege in het dikke boek over zijn leven. 

Gisteren in het Wallraf-Richartz-museum viel me op dat ik op zoek was naar wat ik al kende. Meteen met de lift naar de derde (1850 - 1930), niet langzaam omhoog via de Middeleeuwen – Renaissance en dan via 2 met de Hollandse meesters, nee, meteen van veel van (ongeveer) nu naar (minder tijd voor) vroeger (vandaag, mijn laatste dag, ga ik naar het Ludwig voor de tegenwoordige tijd).
Boven is een Signac expositie. Pointillisme en zo. Boeit me niet.
Voor de vaste collectie blijken twee zalen ingericht. Meteen tweemaal Liebermann; een zelfportret (ongeduldige, kale en inmiddels bittere man op leeftijd) en het enorme en vrolijke doek dat hij maakte van de bleek in Zweeloo, Drenthe.

Vincent was in mijn vorige artikel onderweg om hem daar te treffen, maar Liebermann was alweer weg (geen mobieltjes bij zich). Kort daarna schilderde Vincent in Nuenen zijn wever. Vanuit zijn raam zie je, en dat kan haast geen toeval zijn, de bleek van Zweeloo met een van Liebermanns wasvrouwen.
Ik was naar München gegaan om die wever te zien; aan het einde van mijn kunstreis sta ik, verrassing, voor de bleek van Zweeloo.
De Vincent in München, de Liebermann in Keulen: ze verbeelden het aards paradijs. Meditatieve concentratie bij wassen en weven; mensen die bezig zijn bezig met hun eigen leven Schilders zien daarvan de schoonheid in en leggen vast, wat voorbijgaat.


Ongeveer dus wat ik nu doe. 
Een zaal verder: de brug bij Arles. Dat is de periode dat Vincent uit de donkerte naar het licht reisde. Lang geleden fietste ik Van Gogh achterna; zat ik in dat café, liep ik in de inrichting, in het park, en – bij die ophaalbrug. Ik fantaseerde bruggenbouwer te worden. Primo Levi laat ergens een architect vertellen dat een brug het omgekeerde van een grens is.
Ik herkende me in Vincent en in Liebermann en ging beneden koffiedrinken; haalde adem en toog naar de tweede. Op zoek naar Rembrandt.
Ook bij Rembrandt heb ik het gevoel dat ik thuiskom en voel ik dat ik Nederlander ben. Altijd een beetje trots. Spanjaarden zullen dat hebben bij Goya, katholieken op de eerste verdieping met al die Maria’s, Fransen met die rococo waar ik snel aan voorbijga. Want iets in mij herkent zich in Rembrandt. Veel van hem gezien en herkend deze maand.
Verder op twee was een zaal ingericht met etsen en tekeningen van “vrouwen met de broek aan”. Judith met het hoofd van Holofernes, Delilah die Samson zijn haar afsnijdt, Salome met de kop van Johannes. Natuurlijk ook Hercules die zich onderdanig maakte door verliefd te worden en Aristoteles die hetzelfde overkwam. Waarschuwingen aan de mannen van toen: “Kraait de hen en zwijgt de haan, dan is er in huis iets mis gegaan.” Seksisme op zijn barst. Met een vloek en een zucht ga ik Maria’s kijken en het Keulse verhaal van Ursula met haar duizend maagden. Per slot logeer ik naast de kerk op het plein dat haar naam draagt. Wederom: geen spoor van herkenning. Als ik de volgende dag de kerk binnenstap, lees ik meteen al een spoiler: “Deze kerk is in de 5e eeuw gebouwd op de plek van een Romeins kerkhof. De legende vertelde van 11 martelaren; volksvroomheid heeft hun aantal verduizendvoudigd” (einde citaat). En overigens is het een prachtige kerk. Binnen een door Grünewald geïnspireerde lijdende Jezus. Om hem heen honderd getuigenissen van hen die tijdens de Nazi waanzin geëxecuteerd zijn.
Op de terugweg van het museum ga toch maar De Dom in, koop een boekje over de drie koningen - van wie volgens het geloof van de 11e eeuw de relieken zich hier bevinden. Er omheen is deze kerk gebouwd. Hij moest de grootste van de wereld worden. Iedere Duitse vorst wilde zich bij de drie in Keulen voegen en met hen op een doek (selfie en persfoto van toen).
De rij wachtenden (immers covid controle vooraf) is door de motregen geslonken.


Ook ik ben de drie wijzen schatplichtig; vaak over hun geschenken gepreekt. Ik zet me neer in een kerkbank en lees het boek over kerk en koningen. Van heel ver af (“covid meneer, u begrijpt”) kan ik de reliekschrijn aanschouwen. Overal om me heen glas in lood, beeldenseries, een santenkraam van vorstelijk gedoe. De op hol geslagen fantasie kan me niet bekoren; ik herken me wederom niet in alle nationalisme, pracht en praal waartoe het verhaal geleid heeft. Alleen die trappen van zo’n Dom al en de hoogte van de torens. Een les dat je in je leven tegen bepaalde dingen moet opzien.
Nu had ik vernomen dat “die Schwebende” van Ernst Barlach zich in de Dom zou bevinden.
Treffende plek voor dit ongelooflijke Mahnmal, deze kerk die zo verwoest werd in de oorlog.
Een mevrouw achter de kassa legt me behulpzaam uit dat ik daarvoor naar de Antoniter Kirche moet gaan.
Jammer, die staat in de buurt van het museum van net. Mijn voeten doen zeer, het regent, ik raak al snel de weg kwijt en kom in een overvolle winkelstraat terecht. Hier? In deze chaos van reclame en koopzucht?
Maar hier is het wel. Ik treed binnen. Gratis toegang.
Binnen is het kaal. En stil. Ik herken een protestante kerk als ik er een zie.
Vooraan neem ik plaats; recht tegenover de Zwevende. Je kunt er kaarsen branden.


Misschien is het mooiste dat ik deze reis heb gezien de zittende vrouw van Picasso van het museum in Düsseldorf. Een kopie hangt boven mijn bed.

Barlach is niet mooi; Barlach is echt. Hij sprak tot me vanaf mijn 24e. Na mijn studie bij de wereldraad van kerken mocht ik op stage in de toenmalige DDR, Ik kwam om te beginnen in Magdeburg terecht. In de kerk zag ik zijn oorlogsmonument: Een “Mahnmal”.
Dit woord vertalen is lastig. Denk aan het verschil tussen "herdenken" en "gedenken".
Barlach was na de eerste wereldoorlog Duitslands meest gevraagde beeldhouwer. Hij ontwierp meerdere monumenten die de verschrikkingen van de oorlog moesten gedenken en deed dat met het erkennen van treurende vrouwen, vaderloze kinderen, armoede, honger, gehandicapten, verderf.
Barlach werkte soms samen met kunstenaar en arts Käthe Kollwitz. Zij verloor haar zoon op het slagveld en heeft evenzo aangrijpende oorlogsbeelden gemaakt. De zwevende engel heeft haar gezicht gekregen.
Het monument in de kerk van Magdeburg laat verslagenheid zien. Het was, vertelde dominee Buchenau me, pas in de zestiger jaren terug geplaatst: mensen vonden het te erg. Ze willen niet met het verleden geconfronteerd worden. In de dertiger jaren was de Magdeburger prediker Martin die zich opwond over het beeld van de jood (..?) Barlach: "Verslagenheid? We zijn niet verslagen! We zijn verraden door het internationale jodendom!" Het beeld moest weg; eerst in 1930, en dus in 1950 nogmaals. Dit verwijderd worden is Barlach zijn hele leven en dus ook postuum overkomen.
Het werd ook het lot van de zwevende engel.

Ik ga twee weken terug.
Hartje Hamburg op het raadhuisplein staat een blok beton van 21 meter hoogte. Het oorlogsmonument van Ernst Barlach. Er stond, en tegenwoordig staat er weer, een treurende vrouw met vaderloos kind op. Op de achterkant de tekst: "Vierzig Tausend Söhne der Stadt ließen ihr Leben für euch 1914-1918". Die woorden “Voor jullie” waren Barlach een doorn in het oog, maar zonder dit in de gemeenteraad besloten compromis ging het niet.
Het beeld stond een aantal jaren recht overeind, totdat de Nationaal Socialisten de macht grepen. Treuren was volgens hen niet de correcte manier om de eerste wereldoorlog te gedenken: dat zou juist trots, woede en mannelijkheid moeten worden.
Barlachs beeld werd vervangen door een opstijgende adelaar.
Overal in het Duitstand van die dagen werden monumenten van Barlach en Kollwitz tot ontaarde kunst verklaard. Datzelfde overkwam iedere Joodse kunstenaar: Max Liebermann – tot dan toe voorzitter van de Duitse kunstraad; zijn huis aan de Brandenburger Tor, zijn villa aan de Wannsee om de hoek van de plek waar besloten werd tot de moord op de joden. Barlach heeft de vernietiging van zijn kunstwerken niet meer meegemaakt; hij stierf voor de oorlog. Liebermann stierf diep bezorgd in 1936. Zijn vrouw en dochter pleegden zelfmoord, vlak voordat ze werden opgepakt voor transport.

Nu zijn Barlach, Landmann en Liebermann gerehabiliteerd. Het Hamburger monument is een plek geworden als bij ons het monument op de dam. Käthe Kollwitz heeft datzelfde monument in Berlijn ontworpen. Je wordt er stil van. 


Ik ga een week terug; ik ben in Dresden en ben onderweg van kamer naar museum. Het Zwinger is om de hoek, kwartier lopen. Onmiddellijk als ik linksaf sla, stuit ik op een plaquette.


Dit lees ik: “De vuren van Tirannie branden /de vuren van de vrijheid lichten op” en dan: “Op deze plaats verbrandden de fascistische barbaren aan het begin van de duisterste periode van de Duitse geschiedenis op 8 maart 1933 die creaties van de menselijke geest uit de wereldliteratuur die ons juist vooruit hadden kunnen helpen, die waarheid, vrijheid, menselijkheid en vrede dienden”. Ik ga er tegenover staan en zoek in mijn telefoon. Ik vind deze foto.
De geschiedenis ligt hier inderdaad op straat. In 1933 lagen de boeken hier te branden. Op de site van de Dresdener Nachrichten vind ik het verhaal bij de foto. Het was 8 maart 1933. De maanden tevoren was een iijst opgesteld met verderfelijke boeken. Daar stonden alles wat links, joods of buitenlands was op. Oogkleppen werden verplicht.
Hier sta ik nu.


Loop je in Dresden dan valt de zwarte onderzijde van de stenen op. In de nacht van 13 februari 1945 is de binnenstad door 1500 vliegtuigen gebombardeerd. Doel was de Duitse burgers te ontmoedigen, en om indruk te maken op de Russen.
Het was een oorlogsmisdaad. Dertigduizend mensen zijn verbrand.

De stad was totaal vernietigd.
Daarna kwam de stad onder bestuur van de Russen.
Het oorlogsverhaal kantelde. Aan deze zijde van de muur waren niet de Duitsers, neen, het bleken de fascisten te zijn geweest die het vooral op de communisten begrepen hadden. Ook nu weer overheerste de censuur. En werd de geschiedenis herschreven.

Wanneer ik als Nederlander haast struikel over de stolpersteine en plaquettes en beelden, hoeveel temeer dan de Duitsers? Door het bewust worden van de geschiedenis en hun eigen rol daarin hebben Duitsers zichzelf bekeerd.  

Karin is mijn oudste vriendin. Zij was dertien, ik twaalf. Mijn opa Jan Snoek en zijn vrouw tante Hilde brachten ons een briefje met een adres dat moeder van Karin via het portierraampje naar binnen geschoven had. Tante Hilde was Oost-Duitse; misbruikt en gevlucht voor de Russen, huishoudster bij Opa toen mijn oma Christine stierf.
Ieder jaar hielden ze een korte vakantie in deze buurt, bij Dresden.


Zodoende zijn Karin en ik gaan schrijven. Zij was daarin trouwer en netter en vormelijker dan ik.
Pas nu weten we dat al onze brieven door de Stasi’s gelezen werden. Nu ja - zij wist het al, vandaar zo netjes: ze wilde geen gedoe.
Toen hun dochter Claudia met hazenlip geboren werd, vroeg ze me om medicijnen uit het Westen. De zending slaagde. Karin en Manfred zijn me eeuwig dankbaar, voor mij was het een kleine moeite geweest. 
Ik ben, tot de muur viel, twee keer hier geweest. En elke keer, vertelde Karin gisteren, zijn we afgeluisterd door de Stasi: ze hebben hun archieven gelezen: 1980, 1984. Het was hun zwager "en je begrijpt, we hebben geen contact meer". 
In 2003 waren ze bij mij in Bathmen, in alle vrijheid.
En nu ben ik dus weer hier; ik verwachtte er niet al te veel van, eigenlijk. Maar wat hebben ze me verrast. 

Een wandeling om het huis: Kruiden, groenten, bloemen, kippen, konijnen, fruitbomen. Bijna alles wat we eten en drinken komt uit de eigen tuin. Heb ik last van mijn voeten? Karin heeft er een werkend zalfje voor gemaakt van Beinwell (smeerwortel). We eten Gurkenmatsche ("alles van eigen erf"). Nooit van gehoord, maar het smaakt heerlijk en is beslist voedzaam. Karin bestiert de plaatselijke bloemisterij aan huis; ze zijn niet rijk, maar daarentegen volledig autarkisch (zelfredzaam). 
Gisteravond tot laat doorgepraat over onze levens.
Ze heeft haar gehele leven hier gewoond. Tegenwoordig woont haar dochter Sandra (36) in de woning waar ik veertig jaar eerder haar ouders ontmoette, met haar man en zoons Emil (11) en Oscar (4). Politiek is de familie zeer bewust bij Die Linke. Ze zijn begripvol maar woedend over Pegida. Dochter Claudia heb ik gisteravond gebeld; zij op weg naar München, naar het joods museum en naar Dachau.

Ze zijn hier heel bewust met de geschiedenis en met de toekomst bezig. Daar had ik niet op gerekend.
Terwijl ik dit schreef – in de trein naar Düsseldorf – kreeg ik een WhatsApp bericht van Claudia Berndt, dochter van Karin en Manfred bij wie ik eerder logeerde. Claudia heeft net op mijn aanraden de dagboeken van Etty Hillesum gekocht, in concentratiekamp van Dachau. Ik stuur haar meteen de foto’s op die je hier ziet.
Wat kun je daarvan zeggen? Dat het nooit ophoudt?
Ik blijk deze reis met Ludwig Landmann bezig, met Liebermann, met Dresden. Met antisemitisme.
Met Duitsland en wat een geweldig gastvrij land het geworden is. Juist door te erkennen. Door boeken te lezen. Door zelfanalyse, en erkenning. 


Eerst nog eens drie haltes terug: Frankfurt.
Ik was daar drie jaar geleden; toen ook genoot ik de musea, maar er was nog een en “iets” blijven liggen. Ook daar was ik via een plaquette op een geschiedenis gestuit.
De joodse burgemeester Ludwig Landmann. In 1933 afgezet door de Nazi’s, en gestorven in de onderduik in Voorburg, 5 mei 1945. Dat stond er. Verder was toen niet veel over hem te vinden. Er was een straat naar hem vernoemd. Ik vond het graf waarop stond dat hij tien jaar geleden met zijn Nederlandse vrouw hier was herbegraven.
Nu lees ik, dat in het stadhuis de grote vergaderzaal naar hem genoemd is. Er zou een levensgroot portret hangen en er was een boek over de grote man verschenen. Ik kon het kopen in onder meer het Joods museum.
Brug over linksaf is het Joods museum, in de voormalige woning van de Rotschilds. Zij kwamen namelijk uit en werden rijk in Frankfurt. Ik spreek met mezelf af dat ik alleen voor het boek kom. Maar dat lukt niet. Het museum is te indrukwekkend. Ik schuifel het helemaal door en blijf verbijsterd over zoveel antisemitisme.


Maar toch en ook: er is nu nog een springlevende joodse gemeenschap in de stad. ik kijk naar een fraai opgenomen videoconferentie met vijf Frankfurter rabbijnen (waarvan een vrouw). Je kunt uit twintig vragen kiezen. Ik doe “wat is uw favoriete plek in Frankfurt”, “hoe staat u tegenover homoseksualiteit”. Het is een interessante jukebox. Meisje achter me doet gender, meneer voor me vraagt naar verhouding christendom. Pas twee uren later wandel ik met het boek onder de arm naar de Nizza (weide aan de Main). 
De beste burgemeester die Frankfurt gehad heeft; hij zorgde ervoor dat Frankfurt handelsstad werd, wist van het belang van een goede infrastructuur, begon een revolutionnair projekt voor sociale woningbouw, opende het vliegveld en stierf tenslotte van de honger op 5 mei 1945 (..).  Hij werd begraven in Voorburg.

Wat deze stad niet al beleefd heeft, tart elke beschrijving. Anne Frank is hier geboren en moest vluchten met haar familie. Martin Buber is net op tijd ontkomen.
Ongelooflijk maar voorstelbaar dat ze aanvankelijk liever, met behulp van de Frankfurter groten uit het verleden (Heine, Goethe) vooruit willen kijken. Ik maak een rondvaart over de Main en hoor de namen van grote bedrijven, we varen langs det huis waar Goethe Marianne von Willemer ontmoette, later fiets ik voor de aardigheid van die plek naar de ginkgo boom waarvan Goethe het blad plukte voor zijn mooie gedicht. De gids wijst op de eerste kerkgemeente die met Luther meegegaan is. In de Oosthaven vermeldt de gids vermeld dat deze 100 jaar geleden ontworpen en gebouwd is om Frankfurt weer terug te brengen in de vaart der volkeren en dat het door dat vermetele plan gelukt is.

De man die daarvoor verantwoordelijk geweest is, moet toch echt Ludwig Landmann geweest zijn.

Daarnet ben ik net als gisteren het gemeentehuis in gegaan in de hoop een foto te kunnen maken van het schilderij van Landmann en de plaquette van de zaal die twee jaren geleden naar hem genoemd is. Drie jaar terug viel het niet mee om ook maar iets van hem te vinden; nu lijkt hij er weer in en wil de stad weer trots op hem zijn.


Vanmorgen wandelde ik de wandeling die Ludwig Landmann veertien jaar lang, elke dag weer, twee keer wandelde - van zijn huis over de IJzeren brug naar het Römer.
Die brug! Het is een brug vol verliefde slotjes geworden. Midden op de brug zie ik drie Pakistani (dacht ik) in “Sulwar and Kommies”. Toen ik in 1995 in Pakistan was, heb ik in Karachi ook zo’n setje gekocht, en het gedragen tot het echt niet meer ging. Lichte stof, precies gemaakt voor klamme dagen. Een lange pyjamajas, een wijde broek.
Ik loop ze voorbij, maar draai me om en vroeg waar ze de sulwaar & kommisch gekocht hadden, hier in Frankfurt?
Ze begrepen me niet en reageerden zelfs wat vijandig. De jongste: “Wat vindt u er dan zo komisch aan!?” Het bleken Afghanen, en daar heet deze kleding anders... Vandaag vieren ze het offerfeest (“Barzhai?”) en het kwam tot een prachtgesprek over Gilgit, de grensplaats waar ik was in 1995 alweer, de tulbanden (“Jaaa!”), de gastvrijheid, het eten, de barre bustochten. Als vrienden zijn we uit elkaar gegaan, zij wilden ook foto’s van mij, ik van hen.
En dat op de brug die burgermeester Landmann altijd liep. Verdomd: hij zou trots op ons geweest zijn, deze verlichte joodse man, die zich zo heeft ingezet voor zijn Frankfurt. Pas op de derde dag kom ik de Römer binnen, en heb de plaquette en het levensgroot portret van Landmann gefotografeerd.

Maar: “Der Schwebende”, van Ernst Barlach, uit 1927.
In zijn biografie vertelt hij het verhaal dat hij als jochie in het gras ligt te dagdromen. Hij merkt een schaduw, hij hoort geluid: een zeppelin zweefde boven zijn jongenslichaam. Overweldigende beleving.
Ik voel de woorden uit Genesis: “De vogel van god zweefde over het water.” Later zoekt die vogel als Noachs duif een landingsplaats, net als later de duif, wanneer Jezus boven water komt. De engel zoekt een plaats voor vrede. Ook denk ik aan Jona (zijn naam betekent duif) die vlucht en op zee overweldigd wordt door een boos geweten, om vervolgens opgeslokt te worden door een zeppelinvis. De zwevende van Barlach is geen softie. 


Ook denk ik aan de engel, die Maria overvleugelt en zwanger maakt.
Barlach hield er niet van zijn eigen werk van commentaar te voorzien. Ik schrijf wat ik al jaren denk. In de boekenwinkel van het Ludwig vind ik vandaag een biografie over Barlach uit 2019. Ik laat hem inpakken zonder naar de prijs te vragen. Ook deze inspiratie waait nog wel even verder.

De engel is heeft haar ogen geloken. Ze lijkt tegelijk kwetsbaar en onstuitbaar en gaat ons net boven ons hoofd. Wezen tussen hemel en aarde – tussen tijd en eeuwigheid – brug? Verbindster, bruggen bouwn, vrede vinden? Dat had ze gewild.
Misschien symboliseert het beeld het goddelijke verdriet over en haar onmacht tijdens oorlog. Het lijden van de stervende Jezus om wat wij mensen elkaar aandoen in onze principiële onnozele wreedheid. Barlach zal dat verdriet in Kollwitz herkend hebben. Het was ook immers overal.

In Dresden zag ik een zaal met 46 zwart-wit geschilderde portretten van beroemde mannen. Volgens de folder blijk ik niet de eerste die vrouwen in  deze zaal miste. Kunstenaar Gerhard Richter heeft zich intens met de oorlog beziggehouden. Hij stelde deze mannen voor (componisten, schrijvers, uitvinders, velen joods, ik herken Kafka, Einstein en Barlach) als vaderfiguren. Die ontbraken na iedere oorlog in Duitsland.

Het oorspronkelijke beeld dat in de dom van Güstrow zweefde is door de Nazi’s verwijderd en tot ontwortelde kunst verklaard. Waarna het brons is omgesmolten en voor de oorlogsindustrie gebruikt.
Maar zie. Er zijn drie nieuwe uit gegoten. Een van Barlachs bewonderaars heeft de gipsen mal verborgen onder zand en heide. Een hangt wederom in Güstrow, niet ver van Barlachs atelier (nu museum); een in Munster, waar ik 2012 een schitterende overzichtstentoonstelling van hem bezocht. De eerste hangt, nee: zweeft in de Antoniterkerk. Aan de muur een crucifix, eveneens van Barlach en zijn houten Christus zit in een houten stoel er tegenover. Ook deze lijkt verblind, gewond en kwetsbaar. Maar ook geduldig, en eeuwig. Ik brand een kaars en denk aan de bootvluchtelingen, het klimaat, mijn kinderen en mijn kerken.
In deze beelden hoor ik de stem van mijn geweten. God inderdaad.

Vroeger gingen de vorsten naar de Keulse Dom om zich trots in de rij van de koningen te scharen. Sinds de tweede wereldoorlog zijn Willy Brandt en Helmut Schmidt niet naar de Dom, maar naar Barlach gegaan. Ook de eveneens in de DDR geboren Angela (..) Merkel, domineesdochter, kent en erkent Barlach. Voor hen geen oppermachtige nationale God meer, maar kwetsbaarheid, openheid, en intenationaliteit. De predikanten van deze geloofsgemeenschap waren lid van de Bekennende Kirche (Bonhoeffer, Barth). Dit was de kerk van het politiek avondgebed (Dorothee Sölle, Fulbert Steffensli). 

Ik ben er vanmiddag opnieuw gaan zitten met mijn nieuwe boek.
Elke avond is er een 10 minuten gebedsdienst. Bij binnenkomst beieren de klokken, tijdens het Onze Vader opnieuw. Voordat ik naar buiten ging, de drukke wereld en winkelstraat weer in, heb ik een buiging gemaakt voor de zwevende.
Wat een prachtige stad, wat een mooie mensen; wat een talen, verschillen, diversiteit. Wat een land, Duitsland. Vorige zomer in Berlijn keek ik al mijn ogen uit. Deze reis beleefde ik Munchen, Frankfurt, Hamburg, Dresden, Dusseldorf en Keulen. Het is die veelkleurigheid, die erkenning: daar deden Barlach, Landmann en Liebermann het voor. Daarvoor liep Landmann over de brug. 

Ik ging van de wevende naar de zwevende.
Je zou gaan geloven dat er een patroon in zit.

kriklogo

 

Ds. Ivo de Jong
Pastoriedijk 198 
3195 HK Pernis

telefoon: 010-8415105
mobiel: 06-53 455 966
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.