Dit verhaal heb ik als gedeeld met vrijzinnig Delft. De dienst was geplanned voor zondag 21 februari, en is een thuisdienstgeworden. Je kunt alles vinden op Youtube (klik op het plaatje boven) 

 

Maandag 1 februari 2021. Gisteren had ik dienst mogen doen in De Martini in Groningen, vorige week in Oudshoorn namens Woubrugge, zondag aanstaande was Schiedam, de week er op was Brielle geweest. Alles afgezegd vanwege de c-zooi. Ik merk hoe ik monomaner word. Stiller. Kleiner. Deze waterkoude, mistige maandag heb ik last van de lockdown. En dan heb ik nog geluk dat ik handig ben met internet, een vriendin heb, kinderen, een moeder.

Wat mijn werk aangaat: alleen rouwen en het meeleven daarna ga ik aan, totdat ook ik gevaccineerd ben. Ik verdiep me in componisten; nu veel Delius. Met zijn muziek op kun je heerlijk lezen (tip).

Ik schrijf veel kaarten, dagboek en brieven en heb al een filmpje of twintig gemaakt. Ook met “teams” en met “zoom” kan ik tegenwoordig werken.

Ook zoon Jop “teamt” met zijn klas van tweeëndertig jongens en meisjes: groep 8 van de vrije school in Arnhem. Hij vroeg me hem te helpen met een les over kloosters en de middeleeuwen. Tenslotte zouden de jongens en meisjes de aloude spreek “ora et labora” leren kalligraferen.

Ik vond het (in hun moderner termen) “keileuk”, “supervet”, “supercool” om vanuit Pernis les te geven.  Het bleken (je krijgt ze allemaal in beeld) leergierige jongens en meisjes. Ook (thuiswerkende) ouders kwamen af en toe kijken hoe de pappa van meester Jop eruitziet.

Een paar dagen later wist ik hoe ik de les een vervolg zou geven.

Dat begon zo. Ik wandel door Pernis op de dag dat Biden als president ingezworen werd en ben nog steeds geïnspireerd door Amanda Gorman, de zwarte dichteres in het geel. Zo loop ik langs een ouderwets huis aan de Ring en pas nu valt me het motto op boven de voordeur: Ora et Labora.

Ik kan het niet laten: ik bel aan. Een vriendelijke oma doet open. Ik vertel dat die spreuk me raakt en wat die betekent. Natuurlijk wist zij dat al langer dan ik leef. Maar dan komt het, en ik zeg: “Biden werkt!” Ze denkt even diep na en dan schatert ze het uit:

“Maar dat ga ik doorvertellen!! Wat leuk! Meteen een goed humeur!”

Ik ook. Als ik er vanmiddag weer langs loop, krijgt zij dezelfde kaart in de bus als die ik voor Jops 32 leerlingen heb gemaakt.

De afbeelding komt uit het getijdenboek “Les très belles Heures” uit 1423.

Het is de bladzij waar de herders het goede nieuws uit de hemel krijgen. De gecalligrafeerde zinnen, daar begint ieder van de zeven dagelijkse kloosterdiensten mee: “God kom mij te hulp, Heer haast u mij te helpen.”

De prent heb ik gebruikt voor de liturgie van de Kerstdienst Schiedam, maar vandaag dus ook voor alle jongens en meisjes van Jops klas.

De volgende tekst heb ik achterop geplakt: 

 

Deze dag begon waterkoud met regen; ik voelde me nietig, het mistte buiten en ik miste bezieling. Om al die kaarten te maken en de spreuk achterop te plakken bleek een waar monnikenwerk. Maar: ik kreeg er warempel een warm gevoel van. Het voelt goed om iets verrassends voor een ander te doen. Jop zal morgen verwonderd en blij het pak kaarten openen. Hij zal het leuk vinden de kaarten te verdelen.

“Bonjour, monsieur Gauguin”, weet u nog? De echo van een groet: “Wie groet doet, groet ontmoet.”

Eenmaal in deze sfeer herinnerde ik me vaag het verhaal van de schroevendraaier. Aan de ene kant, omdat het mooi is betekenisvol te zijn als je je lamlendig voelt; aan de andere kant, omdat de gebroeders van Limburg (ze kwamen uit Nijmegen) die het getijdenboek maakten, geen van drie de dertig gehaald hebben: zij stierven in een lockdown, tijdens de pandemie van toen: de pest.

Ik wou dat ze wisten hoe de echo van hun kloosterboek ook nu nog doorwerkt. Zou je met de overledenen kunnen communiceren? Dit signaal, deze neuronen activeerden de herinnering aan het verhaal van de schroevendraaier. Dat gaat over een andere meester, die in iets een poesiealbum schreef in 1910. Ik zocht het verhaal dat ik dertig jaar geleden schreef en ben dankbaar dat ik het terugvond.

Hier komt het.

 

De tweede vrouw van mijn overleden opa Leeuwarden heet Pietje de Jong. Of eerder: Pietje Gelders. Tussen de middag van mijn archiefonderzoek ben ik bij haar op visite. We eten groenten van Hak; ik mag kiezen tussen rooie kool of bietjes. We delen het stukje suddervlees.

Zo samen etend praten we over vroeger, toen ik hier nog logeerde, en ik door opa meegetroond werd naar de samenkomsten van het Leger des Heils. Ik vraag haar hoe zij bij dat leger verzeild raakte, en zij vertelt. En toen we eenmaal met vroeger bezigwaren, kwam ook heel vroeger aan bod.

Ze was een meisje van tien en had een meester die heel mooi tekenen kon. Uit een oude doos haalt ze haar poesiealbum tevoorschijn. Ze slaat het open bij de bladzij van de meester.

Ik zie een heel fijn getekende bladzij, met aan de andere kant een zelfgemaakt, ouderwets vroom vers. Elke nieuwe hoofdletter is versierd.

Kijk: van boven naar beneden vormen ze de naam PIETIE GELDERS. 

"God", zeg ik eerbiedig, "Die is vast nu ook al dood."

"Wat zeg je, hij was vijf jaar later al overleden. Ja, dat vertelden ze ons natuurlijk niet, maar nu geloof ik dat hij eigenlijk een vrouw had willen zijn. Hij had ook van die vrouwelijke maniertjes en ik geloof dat ze hem daar ook wel om uitlachten."

"Heeft-ie een end aan z'n leven gemaakt zeker?"

"Daar praatten we vroegen niet over, maar ik denk haast dat dat het wel was, ja."

 

Maar zestig jaar na die tekening is ze nog dankbaar voor de moeite die meester haar gegeven heeft. Het gedicht heeft haar door de tijd gedragen, en ze koestert zijn herinnering: was ze katholiek geweest, dan hadden haar gebeden voor zijn zieleheil vast het gewenste resultaat gehad. De meester heeft niet niet kunnen vermoeden wat hij met die kleine liefdedaad heeft bewerkstelligd.

 

Soms kan een mens onverwacht en onbedoeld een effekt veroorzaken dat krachtiger is dan waar hij volgens zichzelf toe in staat was. Het is als bij biljart: iemand met een keu stoot een bal die weer een andere bal rakelings raakt, die weer de andere aan het rollen brengt. De ballen weten zelf niet wat ze doen, maar de keu is hopelijk in goede handen.

Of - want dat gebeurt ook - of niet. Het komt erop aan door wie je je gebruiken laat. Want als je niet uitkijkt, kun je ook wel eens iemand de verkeerde kant opsturen.

 

Ik heb eens een preek gehouden met een totaal verkeerde, luie exegese. Er zat toen een kenner in de kerk (Karel Eykman) die me barmhartig de waarheid sprak.

Ik kleurde rood als scharlaken.

Dit alles biechtte ik later op aan een vriend.

Die antwoordde en sprak de onvergetelijke woorden:

"Ach, Ivo. Of je een spijker nu met een schroevendraaier of met een hamer in de muur slaat: als-ie maar zit…"

 

Ik beken, ik doe niet al te zeer mijn best om een hamer te worden en sla dan ook vele planken mis. Maar laat me dan tenminste een schroevendraaier zijn in de goede handen.

Don Camillo, die Italiaans dorpspriester uit de boekjes en films, de man die het altijd op een ludieke en boosaardige manier aan de stok heeft met de communist Peppone, Don Camillo had net zoiets met God: was hij in de kerk aan het poetsen dan babbelde honderd uit tegen de Christus aan het kruis. De prevelementen gaan over God en de wereld, en ook over de streken die hij Peppone leveren zal.

Het beroerde, of het mooie is echter, dat hij meent dat het kruisbeeld luistert, en Don Camillo krijgt niet altijd het gevoel dat die Jezus alles maar goed vindt.

Dus bedekt Camillo soms het kruisbeeld onder een deken.

 

Groot gelijk, vind ik. Liever schroevendraaier dan hamer.

 

kriklogo

 

Ds. Ivo de Jong
Pastoriedijk 198 
3195 HK Pernis

telefoon: 010-8415105
mobiel: 06-53 455 966
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Ruimte voor verschillende modules