Nolde zee

In Germany before The War – Randy Newman

 

In Germany before The War there was a man who owned a store
In nineteen hundred thirty-four in Dusseldorf
And every night at five-o-nine, he'd cross the park down to the Rhine
And he'd sit there by the shore
                 I'm looking at the river but I'm thinking of the sea
A little girl has lost her way with hair of gold and eyes of gray
Reflected in his glasses as he watches her

I'm looking at the river but I'm thinking of the sea
We lie beneath the autumn sky - my little golden girl and I
and she lies very still..  

 

 

Eerst Randy Newman: Een van mijn meest dierbare zangers. Alles in zijn muziek heeft een dubbele bodem; de tekst, de muziek. Alles ook is melancholie: de prachtige akkoorden, de dissonanten.

Dit nummer heb ik op een playlist in mijn auto en ik kan wel 38 (dat getal komt deze dienst vaker voor) keer achtereen naar dit nummer luisteren.

Vooral deze ene zin, wat is die fantastisch waar…:

“I'm looking at the river but I'm thinking of the sea..” (2x).

Je kijkt naar de rivier – maar denkt aan de zee. Je kijkt naar iets voor handen en weet iets groots verder weg. Met deze zin, zin van het leven, is deze dienst begonnen.

Je staart naar de rivier, en denkt..:

Deze rivier, waar loopt die dan op uit? Wáár meandert die rivier, die maar doorstroomt en doorstroomt – panta rhei - naar toe? En dan, verder: dit leven van mij, van u – waar komt het vandaan, waar gaat het heen?

De man in Düsseldorf werkt vijf dagen in de week, en loopt na zijn werk via het park naar huis – het is negen minuten over vijf als hij zich neerzet op zijn vertrouwde bankje – om naar de rivier te staren.

Daar opent zijn verlangen naar wijde verten. Hij is niet van “het is zoals het is”:

Alles verwijst naar groter, verder, dieper. Hij opent zijn verlangen.

Het is 1934; de grote catastrofe staat er aan te komen, maar dat weet de man nog niet.

Wat hier gebeurt, is op een stille plek in de geschiedenis.

Hij ziet een klein meisje; gespiegeld in de glazen van zijn bril – en zoals hij eerst de zee zag in de rivier, zo fantaseert hij nu een leven. De dissonanten in de muziek geven weer dat er onheil aan zit te komen. Fin de siècle. Vlak voor de golf, de vloedgolf.

Je kijkt naar de rivier, ja.. je ziet een meeuw… je denkt aan de zee… ziet een zwaluw:

brengt die zomer? Een duif.. is dat vrede?

En de zanger Randy Newman vond dat dit niet voorbij mag gaan, deze verzonnen gebeurtenis.

Hij steekt een kaarsje aan bij dit soort dromers, idealisten, naïevelingen..

De rivier.

 

matisse vague nice

Je ziet de rivier van Matisse meanderen over het papier. Deze foto heb ik zelf gemaakt in Nice.

De poster ervan staat gewoonlijk in onze badkamer.

Het is het ontwerp dat hij gemaakt heeft voor het dak (!) van het klooster in Vence.

Matisse heeft aan het eind van zijn leven, hij was 84, een kerk gebouwd. Die blauw – wit geschilderde dakpannen – alleen een vogel, of een ballonvaarder kan het hele beeld zien; je moet het echt weten! – het dak van de kapel draagt deze vague, deze golftekening in zich.

Leven is in een golfbeweging. Op – en neer, heen – en weer; hoog – en diep.

En dat alles is – de rivier; de zee. Een eenheid.

Looking at the river, thinking of the sea..

Vervolgens staat voor op ons blad die Welle: de golf van Emil Nolde, uit jawel, om 1934.

Wanneer je naar Denemarken zou rijden, komt je vlak voor de grens van Flensburg bij Seebüll, vlakbij zijn thuis terecht. Het is prachtig gebouwd met uitzicht op de leegte van weilanden, de wijde hemel, en vlakbij zee. Het licht is er dus prachtig.

Nolde was gefascineerd door de zee bij Seebüll.

Zo gek vind ik dat niet: ik kan bosmensen niet helemaal goed begrijpen.

Je hebt daarnaast ook weide mensen, en bergmensen: die vat ik al wat beter.

Het type stadsmens komt me ook nog enigszins bekend voor.

Maar ik – ik ben nu eenmaal een Ivo Marinus, een waterman; zeemens, een man van branding.

Ik ken er meer: ze zijn ook hier, vermoed ik. Geef mij een dorp aan de rivier, of een huisje aan zee.

Aan zee vinden wij rust, of: berusting, eeuwigheid. De branding; de einder, kim, horizon. Meeuwen.

Ik vind erkenning – aan de rand, zo op de grens van land en golven; mijn sterfelijke lichaam met een stukje grond onder de voeten, vlak bij de eeuwig voort deinende branding.

Zo is het leven, denk ik dan; wat ben ik klein, wat is alles groot;

wat een wonder dat ik er ben, dat ik sta, besta.

Je kijkt naar de rivier, ja..

 

Zien is kennen – Marjoleine de Vos

Het geluk zit bij zonsopgang in de trein

en zingt Vivaldi met de kievit

fietst langs de waddendijk: een feilloos oog

voor wollen schapen, ruime lucht van Hollands blauw.

Looft keuken en kamer, leest de krant

loopt de straat door om de herfst te prijzen,

verliefd op het gouden licht van september

lacht het naar oude dames babies leren jacks.

Het geluk bezit goed ingelopen wandelschoenen.

’s Avonds zit het aan tafel met vrienden

het drinkt oude jenever, volgt een talencursus

doucht elke morgen warm zwemt ’s zomers

spetterend door de lauwe zee. Het geluk schrijft

lange brieven, eet een haring, heeft een moeder

viert Sinterklaas.

Het geluk ligt graag in bed. Het is getrouwd

heeft tot zijn verdriet geen kinderen maar

het geluk houdt zich groot.

 

Preek:

Hoe zwaar een storm wordt is niet zozeer afhankelijk van de luchtdruk die de depressie in het centrum van de storm bereikt, maar wordt vooral bepaald door grootte van de luchtdrukverschillen in de omgeving van dat centrum. Een lage barometerstand zal daarom niet altijd leiden tot storm. Bij een snelle verandering van de luchtdruk neemt de wind meestal wel flink toe. Het gebied met de grootste luchtdrukverschillen en de krachtigste wind ligt meestal ten zuidwesten of ten westen van de stormdepressie.

Luchtdruk verschillen. Het is de wet van de communicerende vaten in de hemel. Hoog gaat naar laag. Dat is ook het verhaal van Jezus naar de gehandicapte man. Als je spiritualiteit in je hebt, voel je dat. En kom je als geroepen. Vaak denk je: toeval, maar misschien is dat helemaal niet zo en is er veel meer aan de hand dan je met je beperkte denkraam denken kunt. Het zijn de golven van Matisse, de golf van Nolde; iets streeft naar evenwicht – en met spiritualiteit is het nog sterker, daar streeft iets naar Heil. Misschien is dat een zichtbare manier waarop God werkt. Je ziet het niet, nu ja – je ziet een rimpeling in het water en noemt het engel, omdat het werkt. Ik moet daar erg vaak aan denken, er gebeurt soms teveel toeval om nog toeval te heten: maar een systeem ervan maken kan ik niet.

De schaakmeester zwijgt…

We kunnen tenminste verhalen vertellen.

Johannes was visser; en warempel: ik geloof dat Johannes net als ik een man van het water, een Marinus, zeeman is.

Hij schreef zijn bijbelboeken op een eiland in de Middellandse zee en wordt vaak afgebeeld starend over water. Johannes was verbannen naar Patmos en verlangde vanaf zijn eiland naar de overkant van de grote zee, naar waar zijn kerkjes waren; hij verlangde uiteindelijk naar zijn Heiland, zijn heelmaker, zijn heil. Zo is Johannes vol melancholie en verlangen.

Hij schrijft vaak over missende stukjes van de puzzel: het verloren schaap, verloren mensen, - over onafheid. En hij houdt zich, om met Marjoleine de Vos te spreken, houdt hij zich groot.

Ik heb vaker over Johannes gepreekt. Johannes 8 bij voorbeeld: wie zonder zonde is, laat die dan de eerste steen maar gooien. Jezus haalt een vrouw binnen die verstoten was.

Ook heb ik meermaals dienst gehouden over Johannes 4 – vlak vóór het hoofdstuk van vandaag:

de vrouw bij de bron. Water, inderdaad. Daar gaat het over een vrouw die zes mannen gehad heeft; en Johannes presenteert Jezus als de zevende man. Jezus is de mens van de Sabbat, de vervolmaking.

Vandaag gaat het over een man bij de poort van de bron van de schapen – drie woorden die in het evangelie van Johannes zo’n grote rol spelen: de attributen rond het verhaal van een man, die al achtendertig jaar zonder helper is. Achtendertig jaar!  

Ik ben de afgelopen maand Johannes gaan bestuderen. Zo kom ik vandaag een hoofdstuk verder – een deel waar ik ook nog nooit dieper op ingegaan was in de kerk, of zelf.

En je staart naar de rivier – en krijgt zicht op zee.

Voordat we verder gaan kijken, eerst dit:

Johannes is negentig als hij schrijft, terwijl het gebeuren waarover hij schrijft, geschied is was toen hij nog maar begin twintig was. Johannes was de jongste van de twaalf; in die jaren was hij visserman, nog nooit ver van huis geweest, sprak alleen maar een Galileïsch dialect.

Jezus was jong, optimistisch, er waren vrienden, het bestaan was avontuurlijk en je had het gevoel dat God vlakbij was op die manier.

En toen, en nu?

In de decennia na de vreselijke dood van Jezus waren ook alle vrienden (discipelen) de marteldood gestorven. Dertig jaar na Jezus’ dood was Jeruzalem met de grond gelijk gemaakt door de Romeinse bezetters.

Tien jaar later hadden de andere Joden de “mensen van de weg” zoals de christenen toen nog heetten, definitief verketterd. Het ging mis wegens de besnijdenis en de sabbat. Het ging mis, omdat er nogal wat groepen volgelingen van Jezus ook niet-joden toe gingen laten.

De volgelingen van de leer van Jezus zelf, waren versplinterd; zo waren er Joodse groepen; Romeinse kerkjes; gnostische volgelingen, ja: kerkhistorici zeggen dat de diversiteit toen veel groter was dan dat die nu is. Tegenwoordig zorgt Internet voor vervlakking, pausen voor minder diversiteit, massamedia voor uniformiteit. De verschillende kerken waren in die dagen aanmerkelijk geïsoleerder.

Johannes heeft dat allemaal zien gebeuren en was zich ervan bewust. Hij moet negentig zijn geweest toen hij zijn evangelie schreef. En ik zeg het nogmaals:

Het is een wonder dat zo’n visserman een Grieks geleerd heeft dat ook nu nog fascineert. Elke zin heeft diepgang en een betekenis. Hij schreef op perkament – gelooide huid. Dat was duur en dierbaar. Hij schreef met gevaar voor zijn leven. En toch vond hij dat het nodig was. Sterker nog, hij was bezield, en noemde dat wat hij te vertellen had nog altijd evangelie; GOED nieuws. Hij had het ervaren: hoog gaan naar laag, en noemt dat: God ziet om naar mensen. Hij zag het in Jezus, zoals anderen bij die bron in een rimpeling een engel vermoedden.

Het is een Godswonder dat hij na al die lange jaren nog steeds zo verliefd over Jezus schrijven kan.

Gaan we naar het evangelie van Johannes: hoofdstuk 5. Het verhaal is een parafrase op psalm 23: de Heer is mijn herder. Dus dit verhaal staat, ik zei het al: niet los van de context.

Belangrijk is: het water van de bron; de poort van de schapen; de schapen zelf; een die de verloren schapen zoekt.

Betesda was een schaapsput; niet een fraai Bethesda ziekenhuis. Er zijn talloze moderne ziekenhuizen met die naam in de gehele wereld. Alleen in Nederland al: Vlissingen, Hoogeveen, Dirksland, Emmen - en vast nog meer. Het eerste Betesda rook nogal anders: Zieke mensen, melaatsen, kreupelen en schapen kropen door elkaar, het was de goot van de stad.

De legende om die plaats:

soms landt er een engel op het water; die kun je niet zien, maar word je slechts gewaar - door een rimpeling van het water. Dan komt het er op aan dat je zo snel als je maar kunt –

maar er zijn altijd velen voor je. Elementen: poort; water; een engel af en toe; schapen.

Met die requisieten vertelt Johannes een verhaal.

Historisch? Zestig jaar later, nog een krantenbericht?

Nee, natuurlijk niet letterlijk zo. Johannes vertelt een verhaal. Kijk maar.

De man die daar ligt, ligt er al achtendertig jaar. Dat bestaat natuurlijk niet en ook het getal achtendertig moet je hier als bijvoeglijk naamwoord lezen: iedere Jood weet, dat er in Deuteronomium geschreven staat dat ze 38 jaar in de woestijn geweest waren voordat ze het gedroomde land binnen kwamen. Bovendien – als je in het Hebreeuws 38 schrijft met de letters van het alfabet – L en CH - is dat het woord voor ziekte. Of, en dat kan ook, en het kan allebei: de L staat voor Lef, hart, en de CH voor leven – Chai; hartleven samen. Vertaald: deze mens is aan het einde van zijn woestijntocht, en hartstochtelijk op het punt om zijn heil te vinden en binnen te komen. De laatsten zijn de eersten.

Wezenlijk is, en ik zei het al: Johannes beleeft Jezus als een, die afgaat op iemand gaat die niemand ziet. Hoe bestaat het dan dat er nog altijd sekten zijn die preken dat er maar 144.000 uitverkorenen naar de hemel zullen gaan!? Alsof Jezus slechts de eersten en de besten ziet zitten - of liggen.

Dat idee is volstrekt onbijbels.

Want de goede herder stapt juist op mensen af die niks en niemand hebben, die het laagst op de ladder staan of zelfs liggen, die zelf menen dat ze niet meer geheeld zullen worden.

Met zo’n herder kom je verder.

Achtendertig jaar zonder mens…

Zou iemand ooit verloren mogen gaan, die niet “JA” zegt op de vraag: ‘Wilt u gezond worden?’

‘Wilt u gezond worden?’

Natuurlijk is dit geen kennisvraag. Het is een injectie. Juist door zo’n vraag activeert Jezus de hoop in de man; zijn geloof engelen te zien in mensen, zijn geloof op een goede afloop.

En zo staan er meer zinnen en woorden in ons verhaal die van alle tijden zijn.

Bethesda bijvoorbeeld betekent: Huis van Barmhartigheid. Wie verlangt er niet naar een huis van barmhartigheid?

‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’

Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’

Waarom in de vrede moet hij de mat opnemen? Waarom staan die woorden er bij?

Was een simpel “Sta op” niet genoeg geweest?

Hoe echt is dit verhaal gebeurd? Het is een eh, bijzonder verhaal – maar toen was dat toen ook.

Ineens is Jezus verdwenen, en moet die man verantwoording afleggen.

Zo’n genezing kan volgens de meesten an ons niet echt gebeurd zijn. Dus eist de inspectie formulieren en getuigenverklaringen. Hun conclusie: dit mag niet op een sabbat.

Op een sabbat mag je bovendien nog geen matje oplichten. Hee Mattie! Mag nie!

De man moet wel een oplichter zijn. Schuldig!

Ze dwingen hem de verdediging in.

Er was dus toen ook al een afgetekende meerderheid die het een ongeloofwaardig verhaal vond.

Never on Sunday, een oude hit, we kennen hem. Niet op sabbat!

Er staan weer wetten in de weg en praktische bezwaren. Het antwoord van Jezus is vol humor:

‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’

Hij beweert dat God altijd en overal is. Als je maar goed kijkt. Zien is geloven.

God - was voor Jezus in de ogen van die man, met z’n matje.

Ergens, waar anderen niet naar – langs, of op neer keken. Hij zag een rivier, en dacht aan de zee.

(De C!)

Ik stap van het verhaal af en kom terug bij de kunst van vandaag.

Zien is kennen, schrijft Marjoleine de Vos.

Het eigenlijke gezegde luidt: zien is geloven. Maar Marjoleine de Vos zegt het anders. Zien is geloven: geloven is zien. Inzien.

Het gedicht gaat over geluk. Geluk dat je overvalt als je stilstaat. Echt zien; inzien, in geloven, echt kennen. Geluk is bewust; bewust – zijn. In een kievit Vivaldi horen; in de rivier, de zee zien; in een klein meisje, een prinses, De lucht is Hollands blauw. Geluk houdt zich groot, geluk is dapper; geluk vecht tegen het ongeluk van geen kinderen, geen moeder; geluk is tegen de stroom in zwemmen tot je bij de bron komt; geluk is tegendraads. Geluk doet zeker zeer. Houdt zich - Groot.

Het Bijbelverhaal, Johannes, kent het gemis maar al te goed.

Hij is negentig nu en houdt zich groot - groots. Heeft zich al zolang groot gehouden.

Hij kijkt naar niet alleen naar de rivier, niet alleen naar de zee; hij staart verder. Hij ziet in.

Hij blikt terug, en geeft een herinnering een gouden lading.

Hij denkt aan het water – aan de schapen – aan de poort – aan de zieken – aan de woestijn - aan mensen die al zo lang verlangen - . En de man wordt De Mens – en die krijgt het hoopvolle, het bijna vervulde getal 38 toebedeeld. Het matje, dat is humor; want zo heeft Johannes Jezus gekend. Je mocht dat immers niet dragen op sabbat? Daar staart iedere kleingelovige zich op stuk. Ze kijken naar de rivier en zien een rivier; meer niet. Ze kijken naar een zieke - en zien slechts een stumper, niet meer.

De Jezus van Johannes vindt mensen die nergens op lijken en vindt ze op God lijken; de vuilnisman Jezus vindt goud op plekken van oud roest: Ja:

hij heeft zelfs Johannes gezien; ja, iets heiligs in visserman Johannes van twintig gezien.

En dat heilige werd door die blik, dat inzicht aangestoken, en ging gloeien.

Het inzien, vooruitzien heeft zich bewezen. En onze Johannes heeft ook zo leren kijken - en schrijven. Als Johannes er nu, zestig jaar later, aan terugdenkt - wordt hij er weer warm van.

Mensen denken dat het een rivier was, of een modderpoel in een schaapskooi: maar nee…

Het was veel groter. GrootSer. Weidser, eeuwiger, heiliger dan dat.

En – jij? Wat zie je in jezelf? Een golfje – of de zee?

kriklogo

 

Ds. Ivo de Jong
Pastoriedijk 198 
3185 HK Pernis

telefoon: 010-8415105
mobiel: 06-53 455 966
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.