“Geloof is "twijfel aan mijn ongeloof", zei ik.  

“Of je die uitspraak eens wilde toelichten?”, vroeg een ander.  

Thomas Halik (een indrukwekkend schrijver over geloof van nu) wijst er op dat christelijk geloof één grote paradox is. En dat je voorzichtig moet omspringen met een naam als "Christen". 

Het is als met vegetariër zijn: in principe ben ik dat, maar alleen als ik niet eet (..). 

Zo ben ik lid van de Partij van de Dieren geworden, omdat ik vind dat ik "als Christen" voor een partij moet zijn die onhaalbare idealen vertegenwoordigt. Christen-zijn acht ik blijkbaar hoog en erg hoog gegrepen. Meestal val ik niet op te midden van de gewone mensen (tenminste niet als Christen). 

Maar dominee is mijn beroep / roeping; ik ben meer met geloof bezig dan de doorsnee Nederlander. 

 Deze week ontmoette ik drie vrouwen ontmoet die me aan het denken zetten: een van 98, een van 92, en een mevrouw van 88. De laatste heb ik niet gekend; toch mocht ik haar uitvaart begeleiden. Ze had mij twintig jaar geleden mee gemaakt bij de uitvaart van een buurman. 

Deze mevrouw kwam eigenlijk nooit in de kerk. Voor haar huwelijk namelijk had ze tijdens een operatie een Bijna-Doodervaring (BDE) gehad, schreef haar dochter. Sindsdien was ze vol vertrouwen. Ook op andere gebieden bleef ze wat apart. Om wat ze had mee gemaakt, daar kon geen dorp of kerk aan raken; het geloof daar is slechts een flauw aftreksel van haar ervaring. Die heeft haar leven haar vorm en vrijheid gegeven. 

Ik maak een diepe buiging. BDE-ervaringen heb je zelf, of van horen zeggen. Ik heb er groot respect voor. Mijn eigen geloof kon ik echter is niet op dergelijke ervaringen bouwen. 

 De twee andere twee vrouwen zijn beide bijzonder lang lid van een van mijn vrijzinnige kerkjes. Bij de eerste mevrouw krijg ik chocolade, we bespreken huis, gezondheid, geschiedenis en de galerie der heiligen (kroost). Vanzelfsprekend stel ik na verloop van tijd ook "domineesvragen". 

"Bent u gelovig?"

"Ja wat bedoelt u daar nu mee?" 

"Uh.. ik stelde u de vraag, toch? Maar, bijvoorbeeld: Bidt u wel eens?" 

"Wat zegt u? Nee, nooit! Deden we thuis ook nooit hoor".

"En uh (nog zo'n vraag): Al die mensen waar u over sprak en die allemaal overleden zijn, gelooft u dat er een kans is dat u hen terug zult zien?" 

"Ik?? Nee, nooit! Waarom!? Dood is dood, hoor." 

Ze blijft lid van ons kerkje omdat het een fijne club mensen is; ze kijken naar haar om, ze heeft zich er altijd thuis gevoeld. 

De derde mevrouw woont zes hoog en is al jaren niet meer naar beneden geweest. Ook de intercom was kapot, voor mij bleek het een avontuur om boven en binnen te komen. 

Ze vertelt dat haar man vroeg in de dertig was toen hij overleed. Dat ze gelukkig is. Dat er goede zorg is. Als ik haar vraag of ze gelovig is, schrikt ze, kijkt naar de grond, en zegt, nauwelijks hoorbaar: "Ja..". 

"Bidt u wel eens?" 

Ze kijkt me aan: "Neen, ik dank. Ik dank eigenlijk de hele tijd. Ja en daarna bid ik voor de wereld. Ik kijk altijd nog naar het nieuws, en dan bid ik wel." 

Tenslotte danken we samen; mijn handen om de hare. Tot mijn blijde verbazing vult me zelfs aan. 

Het was een bijzonder intiem en bijna eeuwig ogenblik. Als ik na een flink uur bij haar vertrek, voel ik me dankbaar. 

Waarom schaamde ze zich, toen vroeg naar haar geloof? 

En ik blijf me over mezelf verbazen. Ik bid als vanzelfsprekend. Bidden (danken) hoort bij mij als het halen van adem. Ik hoef slechts de ogen te sluiten en mijn handen te vouwen – en daar is Hij/zij/het weer. 

Ik schrijf dagboek; daarin heb ik bijna altijd gelijk. Ik schrijf brieven, waarin ik mezelf uitleg. 

Maar in gebed – als ik “ingebed ben” – kan ik niet liegen en spiegel ik me aan een hoger zelf (“And I’m praying / to my higher self / don’t let me down / keep my feet on the ground” – Van Morrison). 

Ik ben nergens eerlijker mijzelf en naakt dan in gebed (“mevrouw ik zou nooit met u het bed in duiken, maar het gebed is minstens even intiem”). Ik ben mijzelf een raadsel; dan en daar ervaar ik dat ik mij nog niet ben, maar dat dit toch voor mij de goede weg is. Bijbel en Bidden. 

 

Er is een periode geweest dat ik er trots op was wanneer mensen vroegen naar mijn beroep - en na mijn antwoord verbaasd uitriepen: "Dat had ik nou echt nooit gedacht". 

Ik had een voeger een oorbel en een staartje en was er trots op behoorlijk bij de tijd te blijven. 

Tegenwoordig echter bespeur ik bij mezelf in zo'n geval vooral ergernis. Omdat mensen zo weinig kennis nemen van kerk en van geloof en er desalniettemin nogal wat oordelen over hebben. Onze manieren om in het gevlij te komen, halen opmerkelijk weinig uit. Is geloof trouwens wel te commercialiseren? Waar schaam ik me eigenlijk voor?  

 

Len Munnik tekende een van de problemen waar gelovigen mee te maken krijgen wanneer we iets van onze vroomheid proberen te communiceren: het Appèl (nergens staat dat het een appel was; die komt ofwel van Sneeuwwitje, of van Persephone) werkt niet meer. Mensen hebben Grolsch of Macdonalds;  mensen hebben er genoeg van; mensen worden al giftig van verhalen over een zondeval. 

Dat ongemak aan beide kanten, dat valt tegen. Ik heb mijn hele leven al proberen te overbruggen: door taalfilosofie te studeren, me te verdiepen in kunst, wetenschap, literatuur en muziek.  Afgelopen woensdag (11 oktober 2016) vertoonde ik "Over Canto", de vijf kwartier durende documentaire van Ramon Gieling over mensen wier leven door deze muziek veranderd werd. Na afloop was er die vraag:  Waarom deze film nu in dit kerkje? Ik antwoordde met een verhaal over mijn moeder: Zij moest van zondagsschool, omdat er gekleurd werd, en "Wat heeft kleuren nou met kerk te maken". 

Alles, denk ik nu. Ik heb eens dit verhaal bedacht.

In den beginne was er GOH. Goh kreeg een aantal kinderen: wetenschap, geloof, muziek, kunst, poëzie, politieke actie en literatuur (laten we het voor het gemak bij deze zeven houden). In hun pubertijd maken ze ruzie met elkaar; ze hebben allemaal namelijk het grootste gelijk van de wereld. Maar wanneer ze eindelijk, eindelijk volwassen zullen worden zingen ze gezamenlijk het oude lied: "Kinderen van een Vader (of: Moeder, ook goed)". 

 

In de pubertijd van religie, bij voorbeeld, ontstond het verhaal over de zondeval. 

Het gaat daarbij over de eeuwige problemen rond het kwaad en de dood, en deze mythe gaf er een geruime tijd een antwoord op: De dood kwam, door onze eigenwijsheid en ons wantrouwen de wereld in. Adam en Eva hebben gezondigd en verspeelden met hun onschuld het Eeuwig Leven. God was boos & verdrietig. Er moest iemand komen die de schuld van Adam en Eva zou uitwissen: dat was Jezus, die zonder vlek of rimpel, zonden of ander onverantwoordelijk gedrag geleefd heeft en daarmee de ban verbrak. In de woorden van Paulus:  

 

Romeinen 5 : 10 vv Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven. 11 En meer nog, dat wij God prijzen danken we aan onze Heer Jezus Christus, door wie we nu al met God zijn verzoend. 12 Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd. 13 Er was al zonde in de wereld voordat de wet er was; alleen, zonder wet wordt er van de zonde geen rekening bijgehouden. 14 Toch heerste de dood in de tijd van Adam tot Mozes over alle mensen, ook al begingen ze met hun zonden niet dezelfde overtreding als Adam. Nu is Adam de voorafbeelding van hem die komen zou. 15 Maar de genade gaat zijn overtreding verre te boven. Door de overtreding van één mens moesten alle mensen sterven, maar de genade die God aan alle mensen schenkt door die ene mens, Jezus Christus, is veel overvloediger. 

 

Met de verlichting kwamen Lyell en Darwin met overtuigende bewijzen dat er ook voor Adam al gestorven was. Daarmee tuimelde het prachtige theologische bouwwerk in elkaar - en nam in de lawine nog een hele santenkraam mee, want als de aan de hoeksteen gaat morrelen, valt het hele  Jericho omver. Gevolg van de these-antithese van de pubertijd. Het kind werd met het badwater weg gegooid. 

Nu is dat niet meer dan natuurlijk wanneer je wel heel geïsoleerd van de "gewone wereld" opgroeit. Alle respect voor mensen als Samuel Otte, van wie ik deze week een expositie in het fotomuseum Rotterdam bezocht, genaamd "De Val". Ik citeer: 

Samuel Otte is net afgestudeerd aan de KABK met dit project en het is genomineerd voor het Steenbergen Stipendium 2016. De handgeschreven titel op zijn boek is meerdere keren doorgekrast en duidt meteen op de twijfels die in dit project centraal staan. Twijfels over zijn geloof gevormd in een orthodox-protestants gezin. Als autobiografisch werk over zijn familie vertelt Samuel Otte een veel groter verhaal: de generatiekloof tussen gelovige (groot-) ouders en zijn generatie die een vraagteken achter hun geloof heeft gezet. 

“De Val” in leid tot een identiteitsconflict, dat kan niet missen. Wanneer je je leven lang hoort dat je “ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad bent “ (zondag 8 van de Heidelbergse catechismus), smaakt een appel niet zomaar Goddelijk. 

Gelukkig werd je pas echt in de Hemel, als je geluk had. 

Sinds de val en de hemel niet langer meer deel uit maken van onze ballast & bagage zoeken we andere middelen om gelukkig te worden, en andere oorzaken voor het kwaad. Beide liggen voor de hand. Er zijn medicijnen en behandelingen. Nu Eva niet langer degene is die je de schuld zou kunnen geven (of de slang, als je vrouw bent), zijn het ouders, kinderen, partners, bazen of knechten. Oorzaken en doelen zijn aanmerkelijk dichterbij gekomen! 

Maar alweer: je kunt er een leven lang mee aan de slag, om er tenslotte misschien achter te komen dat het tekort ingebakken bleek.. 

Want wanneer je man bent, ben je geen vrouw, en als je mens bent, ga je dood. Als je met je eerste schreeuw uit je moeder gedwongen wordt, blijft het behelpen en komt het nooit meer helemaal goed, wat de reclame en mindfullness je ook belooft. Ik vermoed dat begrippen als “zondeval” of “hemel”, juist omdat ze onbereikbaarder zijn dan tegenwoordige beloften op instant geluk, beter bij onze oer-beleving passen. Het schilderij "Paradijs" van Emil Nolde verbeeldt de menselijke toestand voorbeeldig..

 

Gisteren was ik in het Catharijne Convent museum in Utrecht voor de indrukwekkende expositie Thora - Bijbel - Koran, een beetje als voorbereiding voor komende week Marokko, met Mike en Redouan. Daar, in de boekenstand, staat ook weer "Het Oerboek van de Mens", van Van Schaik. Ik behandel het in diverse gespreksgroepen. Het is momenteel HET boek over de Bijbel. Van Schaik is primatoloog en evolutiebioloog en heeft een verrassende ontdekking gedaan: de Bijbel is het Oerboek van de mens. Nergens vind je de heimwee naar het paradijs van voordat we gingen settelen beter terug dan in de Bijbel. Mensen hebben het genetisch nog lang niet verwerkt, dit jachtige (..) en huisje-boompje-beestje leven. Volgen de schrijvers vertelt de Bijbel het verhaal van de mens; over God worden en werden we niets wijzer. 

Het Oerboek in die boekenwinkel daar contrasteert - nee, vloekt nogal met de vakkundige, diep-gelovige en gewortelde manieren waarop mensen hun heilige boeken schreven. Van Schaik komt uit een andere wereld; die van Wetenschap. Met alle respect die hij de Bijbel verleent: met de geleerde bril waar hij mee naar de wereld van gelovigen kijkt, ziet hij iets wezenlijks over het hoofd. Van Schail verzucht overigens zelf ook met een citaat van collega primatoloog Frans de Waal dat hij de gelovigen waarschijnlijk niet uit hus droom zal kunnen helpen:    “Moderne atheisten die vol blijven houden dat alleen empirische feiten tellen, hebben veel weg van lieden die voor een bioscoop staan om bezoekers die net de film Titanic heben gezien te vertellen, dat Leonard DiCaprio helemaal niet met het schip in de diepte is verdwenen!”

Ook Kermit de Kikker zal de dokter niet geloven. Nu ja misschien eventjes; daarna gaat hij als vanzelf twijfelen aan zijn ongeloof. Overigens heb ik aan het zinken van de Titanic veel te danken. Het verhaal gaat, dat mijn opa Klaas bekeerd is door de mythe van het strijkorkest dat ten slotte "Nader Mijn God Tot U" speelde en zo ten onder ging en vast, als de moordenaar aan het kruis, met Jezus het Paradijs is binnen gevaren.. Mijn opa heeft het tot korpschef van het leger des Heils gebracht en is viool gaan spelen, hetzelfde instrument dat ik nu in de woonkamer heb staan. Er verbindt ons een gevoelige snaar. 

 

Terug naar Van Schaik (en andere pubers). 

Er is een kind met het badwater weggegooid. Dat kind heet misschien wel Sisyfus; het mensje uit de Griekse mythologie dat maar blijft proberen om de steen de berg op te krijgen. Ik geloof in die mens; het is de mens van de (ook door boven genoemde Halik geroemde) paradox: blijven hopen tegen beter weten in, ofwel: twijfel aan je ongeloof. Ik geloof dat parallelle lijnen elkaar in de toekomst zullen snijden. 

In de kerkdienst over dit thema (zondag 9 oktober in Lunteren) liet ik Peter Gabriels prachtclip “Blood of Eden” zien. De melodie alleen al ademt heimwee. Er zit troost in het benoemen van het verdriet. Sinead O’Connor (Theology!) en Peter Gabriel (Genesis!) zijn diep gevormd door christelijk geloof. 

En ik ook. 

Daarom trok ik op een bepaald moment van de dienst toch maar een toga aan. Tot dan toe was ik “tussenganger” geweest, en sprak ik namens allen. Doe ik echter een toga aan, dan geloof ik dat ik ook mezelf iets te vertellen heb (het verschil tussen preken en spreken). 

Ik moest erg lachen om de mevrouw die niet bad. Het is wel zo gemakkelijk en goudeerlijk. Maar de andere vrouwen zeiden me de waarheid en de wacht aan. 

Ik maak iedere dag opnieuw, als ik goed kijk, zoveel mee dat mij zou kunnen doen twijfelen aan mijn ongeloof. Ontmoetingen; uitdagingen; een zin of een toon in muziek. Ik geloof, dat ik een roeping heb, al loop ik er nog zo vaak voor weg. Priester Don Camillo (Fernandel) gooide vaak een laken over het crucifix als het hem weer eens tegensprak. Wie kent dat niet? Maar om in het gevlei te komen bij de “Gebildeten unter ihren Verächtern” (Schleiermacher) ben ik maar al te vaak te ver gegaan. Geestelijk arremoede, lafheid, gebrek aan soul, wie zal het zeggen? Misschien is het de zondeval? 

 Maar wat dan wel, en hoe kom je er bij. 

In wezen is dit voor mij, als theoloog en Christen, het grootste mysterie: Waarom zijn mensen de evangelies en andere NT boeken gaan schrijven? Waar haalden zij het lef vandaan? Het waren vissers (misschien ten tijde van hun roeping wel analfabeet) die met gevaar voor eigen leven een verhaal moesten vertellen dat ze niet binnen konden houden en dat nog steeds, meer dan andere boeken voor en na hen, de haove wereld bezig houdt en inspireert. Ze zullen zich vast bij tijden geschaamd hebben; ze zullen klein, en bang geweest zijn. Daar hadden ze dan betere redenen voor dan ik, als ik mij weer eens “het evangelie schaam”. Jezus’ vrienden geloofden dat alles anders en beter geworden was en worden zou; “optimist tot in de kist”, grap ik wel eens. In elk geval hebben ze de hoop nooit laten varen, hun godsvertrouwen kwam uit ervaring en hun liefde voor die jongen van 33 is blijven branden. Hoe is het toch in Gods naam mogelijk. 

Daarnaast blijk ik “gewoon” trouw aan de verhalen van mijn vader en mijn moeder over hun vaders en (groot)moeders. Ook dat helpt me in de christelijke pas te blijven lopen. Ik moet iets van hun bevlogenheid hebben geërfd (misschien gaan genetische veranderingen toch wat sneller dan Van Schaik vermoedt?), en kan er niet achterweg denken (hoeft ook niet). 

Daarbij is mijn manier van geloven steeds meer op eigen ervaring gebouwd. Ik vind mijn leven bij vlagen ongelooflijk (..) mysterieus en zinvol. Dat ik nu net hier was, daar ben, er toe mocht doen? 

“De schaakmeester zwijgt”, schreef Rumi; maar dat er af en toe iets of iemand (laat ik het daar op houden dan) de hand in heeft, en wel een goede overmacht, daar kom ik vaak tot mijn grote verwondering (GOH!) achter – en dan, dan ga ik weer eens twijfelen aan mijn ongeloof.

 

Dagsluiting (Reve).

Eigenlijk geloof ik niets,

en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

dan denk ik dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,

en dat, in zelfde wanhoop, 

Gij mij zoekt

zoals ik U.

 

Geschreven van in de week 7 - 14 oktober 2016 voor de Battumer Groep (afscheid in Twello..);

 

voor de Vrijzinnigen in Lunteren (die zondag werd dit het thema) en ter voorbereiding op de interreligieuze week met mijn vrienden Mike Goud en Redouan Harrak in Fez.

kriklogo

 

Ds. Ivo de Jong
Pastoriedijk 198 
3185 HK Pernis

telefoon: 010-8415105
mobiel: 06-53 455 966
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Ruimte voor verschillende modules